Aandachtspunten belastingaangifte aanslagjaar 2021

Uw aangifte of uw voorstel van vereenvoudigde aangifte is sinds vorige week online beschikbaar in MyMinfin (Tax-on-web).
Ontvangt u uw aangifte of uw voorstel van vereenvoudigde aangifte per post, dan mag u die in de loop van de maand mei verwachten. 

Als u een voorstel van vereenvoudigde aangifte ontvangt (zoals 3.750.000 andere Belgen) en dit voorstel is correct, dan moet u niets doen. Eventuele wijzigingen moet u uiterlijk 15 juli 2021 doorgeven.

Ontvangt u geen voorstel van vereenvoudigde aangifte, dan moet u zelf uw aangifte indienen. Doet u de aangifte op papier, dan hebt u hiervoor tijd tot 30 juni. Als u uw aangifte via Tax-on-web indient, moet u dat ten laatste op 15 juli doen. Schakelt u uw boekhouder in, dan heeft die tot 22 oktober 2021 om uw aangifte in te dienen.

Enkele aandachtspunten

Niet-indexering van bepaalde belastingverminderingen

De meeste belastingverminderingen en -vrijstellingen worden elk jaar geïndexeerd. Voor de inkomstenjaren 2020 tot 2023 werd de indexering van een aantal fiscale uitgaven (zoals het vrijgestelde bedrag dividenden en het maximum bedrag langetermijnsparen) bevroren op het niveau van inkomstenjaar 2019. De jaarlijkse indexering zal normaliter opnieuw plaatsvinden vanaf inkomstenjaar 2024.

Voor een overzicht van de niet-geïndexeerde bedragen, zie Indexering van de fiscale uitgaven | FOD Financiën (belgium.be)

Vak II – Personen ten laste

U moet uw gezinslasten vermelden opdat de fiscus kan berekenen op welke toeslagen op de belastingvrije som u recht hebt.

De basisbelastingvrije som in aanslagjaar 2021 bedraagt 8.990,00 euro (sinds aanslagjaar 2020 geldt er één bedrag voor iedereen).

De toeslagen op de belastingvrije som voor kinderen ten laste bedragen in aanslagjaar 2021, voor:

1 kind: 1.630,00 euro, 2 kinderen: 4.210,00 euro, 3 kinderen: 9.430,00 euro, 4 kinderen: 15.250,00 euro en voor elk bijkomend kind + 5.820,00 euro (gehandicapte kinderen worden voor twee gerekend).

Voor ascendenten en zijverwanten tot en met de tweede graad (broers en zussen) die ten laste zijn en ten minste 65 jaar oud, bedraagt dit: 1.630,00 euro (aj. 2021) of 3.270,00 euro (aj. 2021). In het geval dat de persoon ten laste zwaar gehandicapt is, worden de toeslagen van respectievelijk 1.630,00 euro en 3.270,00 euro, verdubbeld.

We merken op dat vanaf aanslagjaar 2022 de toeslag op de belastingvrije som voor (groot)ouders of broers/zussen ouder dan 65 jaar en ten laste, met 50% wordt verhoogd tot 4.940,00 euro.

Opgelet, er wordt wel als bijkomende voorwaarde gesteld dat deze persoon zorgbehoevend moet zijn (een verminderde zelfredzaamheid van ten minste 9 punten is vereist)!

Een (groot)ouder of broer/zus ten laste ouder dan 65 jaar die niet-zorgbehoevend is, kan vanaf aj. 2022 in principe enkel nog recht geven op de gewone belastingvrije toeslag van 1.650,00 euro (aj. 2022).


Er werd wel in een overgangsregeling voorzien voor:

- belastingplichtigen die op 1 januari 2021 een (groot)ouder of broer/zus ouder dan 65 jaar ten laste hebben. Zo kan een niet-zorgbehoevende ‘oudere ten laste’ nog tot aj. 2025 recht blijven geven op de belastingvrije toeslag van 3.290,00 euro, op voorwaarde dat de oudere in de aangifte van 2021 fiscaal ten laste wordt genomen;

- zwaar gehandicapte ouderen ten laste. Hebt u op 1 januari 2021 een zwaar gehandicapte (groot)ouder of broer/zus ouder dan 65 jaar ten laste, dan kunt u nog tot aj. 2025 genieten van de oude regeling, d.w.z. een dubbele oude belastingvrije toeslag van in totaal 6.580,00 euro (2 x 3.290,00 euro) per persoon ten laste in plaats van de nieuwe belastingvrije toeslag van 4.940,00 euro.

Personen kunnen enkel fiscaal ten laste worden genomen als ze deel uitmaken van uw gezin op 1 januari van het aanslagjaar (dus op 01-01-2021 voor inkomstenjaar 2020) en slechts beperkte netto bestaansmiddelen hebben. Kinderen van gehuwden of wettelijke samenwonenden mochten in 2020 maximaal 3.380,00 euro netto bestaansmiddelen hebben. Een kind van een alleenstaande of feitelijk samenwonende ouder mocht over 4.880,00 euro bestaansmiddelen beschikken.

Voor het vaststellen van deze bestaansmiddelen wordt echter geen rekening gehouden met bepaalde inkomsten, zoals bijvoorbeeld de inkomsten uit een arbeidscontract voor studenten tot een brutobedrag van 2.820,00 euro. In het kader van de coronacrisis, worden de bezoldigingen voor studentenarbeid in het tweede kwartaal (van 1 april tot en met 30 juni 2020) niet meegeteld in de berekening van de bestaansmiddelen (ongeacht de sector en ongeacht het betalingstijdstip). Bovendien zullen de bezoldigingen voor studentenarbeid in de zorgsector en het onderwijs in het vierde kwartaal van 2020 en in het eerste kwartaal van 2021 evenmin in rekening worden gebracht.

Vak III – Onroerende inkomsten

Het inkomen van de eigen woning, moet niet vermeld worden in vak III. Als u voor uw zelf betrokken eigen woning nog een lening hebt lopen van vóór 2005, kan het wel nuttig zijn om het KI van uw eigen woning in vak IX (code 3100/4100) te vermelden.

Als u buitenlands onroerend goed bezit, moet u voor ij. 2020 wettelijk gezien de brutohuur(waarde) van deze onroerende goederen aangeven. U mag de betaalde buitenlandse belastingen voor die onroerende inkomsten in mindering brengen van deze bruto huur(waarde).

België werd echter al meermaals door het Europese Hof van Justitie veroordeeld, aangezien het belastbaar inkomen van een buitenlands onroerend goed volgens het Hof niet hoger mag zijn dan dat van een vergelijkbaar Belgisch onroerend goed, teneinde het vrij verkeer van kapitaal niet te belemmeren, ongeacht of de woning al dan niet wordt verhuurd. En bij een Belgisch niet-verhuurde of privé verhuurde woning wordt u slechts belast op het geïndexeerde KI, verhoogd met 40%, wat meestal een pak lager ligt dan de brutohuur(waarde).

Begin 2021 werd er dan uiteindelijk een wetswijziging doorgevoerd teneinde Belgische en buitenlandse onroerende goederen, op het vlak van de berekening van de belastbare grondslag, gelijk te behandelen door voor in het buitenland gelegen onroerende goederen in de vaststelling van een kadastraal inkomen te voorzien. De bedoeling van de Administratie is om tegen 1 maart 2022 aan al het buitenlands vastgoed dat eigendom is van Belgen een KI toe te kennen. Men zal trachten te bepalen welk bedrag u in 1975 moest investeren om een kapitaal te verwerven dat overeenstemt met de huidige verkoopwaarde. De correctiefactor wordt jaarlijks bepaald aan de hand van de rentevoet voor lineaire obligaties op 10 jaar. Voor het jaar 2020 zal de factor gelijk zijn aan 15,036. Op deze ‘gecorrigeerde waarde’ zal men vervolgens een (kapitalisatie)tarief van 5,3 % toepassen. Voor meer info, zie het nieuwsbericht d.d. 25-02-2021.

Met het oog op de implementatie van de nieuwe bepalingen, zal de Administratie Opmetingen en Waarderingen in 2021 een lijst opstellen van belastingplichtigen die buitenlandse goederen bezitten. De administratie zal de belastingplichtigen contacteren die buitenlandse onroerende inkomsten in hun aangifte in de personenbelasting (aanslagjaren 2020 en/of 2021) hebben vermeld. Ze verzamelen de informatie die nodig is om het kadastrale inkomen van hun goederen vast te stellen. Wat minstens zou worden gevraagd: een korte beschrijving van het goed, de ligging, de normale verkoopwaarde voor gebouwde goederen of de oppervlakte voor ongebouwde goederen. Als de normale verkoopwaarde niet gekend is, zult u de prijs en het jaar van verwerving moeten opgeven, evenals de kosten van eventuele werken uitgevoerd na de verwerving en het jaar waarin die werken zijn voltooid.

Mocht de Administratie u toch niet zelf zou contacteren in de loop van 2021, dan neemt dat niet weg dat u uit eigen beweging uiterlijk op 31 december 2021 aangifte moet doen van uw buitenlands vastgoed. Als u pas in 2021 eigenaar bent geworden van buitenlands vastgoed, zult u dit in principe binnen de 4 maanden spontaan moeten melden aan de Administratie Opmetingen en Waarderingen via e-mail (foreigncad@minfin.fed.be) of door de gegevens in te vullen op de site www.myminfin.be (toepassing zou vanaf juni 2021 beschikbaar zijn).

We merken op dat bij een gemeubelde verhuur, ook een roerend inkomen moet aangegeven worden in vak VII.

Vak VII – Roerende inkomsten

U kunt ook dit jaar via uw aangifte maximaal 240,00 euro roerende voorheffing op dividenden van ‘individuele aandelen’ recupereren. Dat komt neer op 800,00 euro aan kwalificerende bruto dividenden als ze onderworpen zijn aan het RV-tarief van 30%. Voor meer info over deze maatregel, zie het artikel op www.kbc.be.  

U moet de ingehouden roerende voorheffing die u wilt terugvorderen, vermelden onder code 1437/2437. Het dividendbedrag dat u ontving, hoeft u niet te vermelden in de aangifte.

Vak IX – Interesten, kapitaalaflossingen en premies die recht geven op belastingvoordeel

Belangrijk bij het invullen van vak IX blijft de beoordeling of het krediet betrekking heeft op de eigen woning (van dag tot dag te beoordelen) en in welk jaar het krediet werd afgesloten. Met betrekking tot herfinancieringsleningen herinneren we eraan dat een herfinanciering in principe fiscaal neutraal is. Stel, u hebt bijvoorbeeld in 2010 een krediet afgesloten voor de verwerving van uw enige en eigen woning in Gent, dat in aanmerking kwam voor de ‘oude’ woonbonus en u dit krediet in 2020 zou geherfinancierd hebben. Dat krediet valt dan onder de ‘oude’ Vlaamse woonbonus, m.n. codes 3370/4370 e.v. (in de veronderstelling dat u nog steeds in deze woning te Gent woont). Deze lening zal echter vanaf dit aanslagjaar geen recht meer geven op toeslag, maar enkel op de basiskorf van 2.280,00 euro p.p. Alleen leningen gesloten vanaf 1 januari 2011 kunnen dit aanslagjaar nog recht geven op de toeslag van 760,00 euro (als het nog steeds om uw enige woning gaat), reden waarom u in codes .372/.380 moet aangeven of het gaat om een lening gesloten vanaf 2011.

We merken op dat leningen gesloten vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de eigen woning, enkel nog bij Waalse inwoners recht kunnen geven op de ‘chèque habitat’. Leningen afgesloten vanaf 1 januari 2020 kunnen geen recht meer geven op de Vlaamse geïntegreerde woonbonus, noch op een ander Vlaams voordeel. Bij verkoop van uw huidige woning en aankoop/bouw van een nieuwe woning, kunt u mogelijk wel de Vlaamse woonbonus behouden (Vlaamse fictie hypotheekruil).

Bestaande leningen kunnen hun Vlaams belastingvoordeel behouden, maar looptijdverlengingen zijn niet tegenstelbaar aan de Vlaamse Administratie. Van die regel wordt afgeweken voor looptijdverlengingen door covid-betalingsuitstel. Tijdens die extra maanden zal men wel nog een belastingvoordeel kunnen genieten.

Leningen met betrekking tot niet-eigen woningen (buitenverblijven en opbrengstwoningen) gelegen in de Europese Economische Ruimte kunnen nog steeds recht geven op federaal lange termijnsparen (code 1358/2358) en gewone interestaftrek (code 1146/2146).

We merken op dat er momenteel een wetsvoorstel van Ecolo-Groen voorligt om het fiscaal voordeel af te schaffen voor de kapitaalaflossingen van nieuwe leningen (afgesloten vanaf 01-01-2022) die betrekking hebben op een niet-eigen woning. Het is nog niet duidelijk of de andere partijen dit wetsvoorstel steunen.

Vak X. Uitgaven die recht geven op belastingvermindering
 

  • Lagere belastingvermindering voor dienstencheques
    De uitgaven voor PWA- en dienstencheques die recht geven op belastingvermindering in aanslagjaar 2021 worden beperkt tot 1.520,00 euro per belastingplichtige in aanslagjaar 2021.

    De PWA- en dienstenscheques leveren vanaf aanslagjaar 2021 een belastingvermindering van 20% op voor Vlaamse inwoners (voorheen: 30%). Voor inwoners van het Vlaamse Gewest bedraagt de nettoprijs van een dienstencheque (betaald in 2020) dus 7,20 euro (9,00 euro x 80%) als uw totale uitgave voor dienstencheques niet meer bedraagt dan 1.520,00 euro.

  • Hogere belastingvermindering voor giften
    De belastingvermindering voor giften van minimum 40,00 euro, gedaan aan een erkende instelling in 2020 bedraagt 60%. Dit wordt automatisch verrekend door de fiscus. We merken op dat voor giften gedaan in 2021 de belastingvermindering normaliter opnieuw aan 45% zal worden verrekend.

    Giften in natura zijn in principe uitgesloten van belastingvermindering, maar in het kader van de bestrijding van de covid-pandemie komen tijdelijk bepaalde giften in natura aan ziekenhuizen of scholen wel in aanmerking voor belastingvermindering. Voor meer info, zie Giften | FOD Financiën (belgium.be).

  • Hogere belastingvermindering voor uitgaven kinderoppas
    Het maximum dat u per oppasdag per kind mag aangeven wordt in aanslagjaar 2021 verhoogd van 11,20 euro naar 13,00 euro! Vanaf nu zal het maximum ook jaarlijks geïndexeerd worden. Het maximum in aanslagjaar 2022 zal 13,70 euro per oppasdag bedragen.

    De leeftijdsgrens van de kinderen waarvoor men de belastingvermindering voor uitgaven kinderoppas mag vragen, werd bovendien opgetrokken tot 14 jaar (resp. 21 jaar voor zwaar gehandicapte kinderen). Alleen de oppaskosten m.b.t. het gedeelte van het jaar dat aan de veertiende verjaardag voorafgaat, geven recht op belastingvermindering. Wanneer uw kind tijdens de deelname aan een jeugdkamp 14 jaar wordt, geeft alleen het inschrijvingsgeld m.b.t. de dagen waarop uw kind nog geen 14 jaar is, recht op belastingvermindering.

    Een andere nieuwigheid is dat u ook de uitgaven voor de professionele thuisopvang van zieke kinderen kan inbrengen vanaf aj. 2021.

    U moet bij het invullen van de aangifte de beperking tot 13,00 euro per dag zelf toepassen. Alleen uitgaven voor dagen met daadwerkelijke oppasactiviteiten mogen worden aangegeven. Als een kind niet deelneemt aan een bepaalde opvangactiviteit waarvoor reeds een bedrag is vooruitbetaald, dan wordt dit niet als een uitgave voor kinderopvang beschouwd omdat er geen effectieve opvang heeft plaatsgevonden. Op het attest mag de organisator van de opvang dan ook enkel de dagen vermelden waarvoor er effectief opvang is verricht.

    Wegens de coronacrisis werden bepaalde opvangactiviteiten in 2020 geschrapt. Om te vermijden dat jeugdorganisaties in financiële problemen kwamen, werd gevraagd om het reeds betaalde inschrijvingsgeld niet terug te vragen. Wie de vooruitbetaling niet (gedeeltelijk) heeft teruggevraagd, heeft onder bepaalde voorwaarden toch recht op belastingvermindering. Zie Belastingvermindering voor kinderopvang | Departement Cultuur, Jeugd & Media (vlaanderen.be)

  • Corona-tax shelter
    Investeringen in het risicokapitaal van een kleine vennootschap waarvan de omzet voor de periode van 14 maart tot 30 april 2020 met minstens 30% gedaald was ten opzichte van dezelfde periode van 2019, kunnen een belastingvermindering opleveren van 20% (als de  investering is gebeurd in periode 14 maart tem 31 december 2020).

    Deze belastingvermindering werd uitgebreid voor investeringen gedaan in de periode van 1 januari 2021 t.e.m. 31 augustus 2021 in een kleine vennootschap, waarvan de omzet voor de periode van 2 november 2020 tot 31 december 2020 met minstens 30% gedaald was ten opzichte van dezelfde periode van 2019.

    In tegenstelling tot de belastingverminderingen voor investeringen in starters en scale-ups (belastingverminderingen van resp. 45, 30 of 25% bij investeringen in risicokapitaal), komt een inbreng door de bedrijfsleider van de kmo-vennootschap die corona-omzetverlies leed, ook in aanmerking voor de corona-tax shelter.
    Voor meer info, zie Tax Shelter COVID-19 | Agentschap Innoveren en Ondernemen (vlaio.be)

Vak XI – Uitbreiding Winwinleningen en nieuw vriendenaandeel

Sinds 2006 kan men via een Winwinlening geld uitlenen aan een of meerdere kmo’s met een zetel in het Vlaams Gewest. Wie zo’n achtergestelde lening toestaat, krijgt een jaarlijkse belastingkorting van 2,5% op het openstaande kapitaal. Voor alle voorwaarden, zie Winwinlening (pmvz.eu)

Omdat veel ondernemers tijdens de coronacrisis nood hebben aan extra kapitaal, werden de mogelijkheden voor Winwinleningen afgesloten na 6 oktober 2020 uitgebreid. Het maximumbedrag dat men mag uitlenen, is van 50.000,00 euro  naar  75.000,00 euro opgetrokken (waardoor het maximale voordeel stijgt naar 1.875,00 euro per jaar) en de duurtijd hoeft niet langer 8 jaar vast te zijn, maar kan schommelen tussen 5 en 10 jaar. Lopende Winwinleningen (in principe gesloten in 2012) waarvan de contractuele looptijd van 8 jaar in 2020 verstreek, konden door de contractspartijen in onderlinge overeenstemming met behoud van het belastingkrediet worden verlengd met 1 of 2 jaar (tot de nieuwe maximumtermijn van 10 jaar). Ook kleine aandeelhouders – met maximaal 5% van de aandelen – kunnen vanaf 7 oktober 2020 een Winwinlening verstrekken.

In het geval de onderneming failliet gaat of de lening niet meer kan terugbetalen, kan men recht hebben op een eenmalig belastingkrediet van 30%, waardoor men 30% van zijn lening terugkrijgt. Voor Winwinleningen gesloten na 15 maart 2020 en uiterlijk 31 december 2021 wordt het percentage van het eenmalig belastingkrediet opgetrokken tot 40%.

Naar analogie met de Winwinlening heeft men in het Waalse Gewest vanaf aanslagjaar 2017 in een jaarlijks belastingkrediet voorzien voor de kredietgever van een ‘Coup de pouce’-lening. Vanaf 2021 wordt deze regeling ook uitgebreid. In Brussel heeft men vanaf oktober 2020 de proxilening ingevoerd.

Er is vanaf inkomstenjaar 2021 ook een extra Vlaamse mogelijkheid ingevoerd om een kmo te steunen: het zgn. vriendenaandeel. Er zal een belastingvoordeel zijn voor wie intekent op een kapitaalverhoging. De grens van maximaal 75.000,00 euro per inbrenger en maximaal 300.000,00 euro per kmo zal gelden voor de Winwinlening en het vriendenaandeel samen. De aandelen moeten 5 jaar worden bijgehouden. Voor het vriendenaandeel zal er een belastingkrediet van 2,5% gedurende maximaal 5 jaar zijn, wat het maximale voordeel op 1.875,00 euro gedurende 5 jaar brengt. Bij het vriendenaandeel is er in geval van een faillissement van de ondernemer niet voorzien in bescherming onder de vorm van een eenmalig belastingkrediet. We merken op dat de Winwinlening en de federale tax shelters meer voordeel kunnen opleveren (tax shelter is evenwel niet omzetbaar in een belastingkrediet).

Voor meer informatie over het fiscaal vriendelijke investeren in een kmo verwijzen we naar het nieuwsbericht van 12-04-2021.

Vak XIII – Geen vermelding meer van aantal effectenrekeningen

In Vak XIII onder punt E. moest vorig jaar nog aangekruist worden of u titularis was van meer dan één effectenrekening.

In een arrest van 17 oktober 2019 vernietigde het Grondwettelijk Hof echter de wet betreffende de taks op de effectenrekeningen voor de toekomst. Om deze reden zijn deze codes niet meer terug te vinden op het aangifteformulier van aanslagjaar 2021.

Intussen werd wel een nieuwe effectentaks ingevoerd vanaf 26 februari 2021. Meer info hierover kunt u terugvinden in het nieuwsbericht van 02-03-2021. 

Aarzel niet uw private banker of wealth offcier aan te spreken mocht u hierover nog vragen hebben. 

Maak kennis met KBC Private Banking & Wealth
Inschrijven op onze nieuwsbrief

Dit nieuwsbericht mag niet worden beschouwd als een beleggingsaanbeveling of advies.