Kei-cars, made in Europe
De Europese Commissie wil elektrische mobiliteit toegankelijk maken voor een breed publiek. Daarvoor wordt een nieuwe subcategorie kleine elektrische personenauto’s ingevoerd (“M1E”), op basis van een maximumlengte van 4,2 meter. Meer details zijn er nog niet, maar in de wandelgangen valt te rapen dat ze niet meer dan 20.000 euro mogen kosten en ten hoogste 1.500 kg mogen wegen.
Onder druk van enkele autoproducenten en autoproducerende landen moest Europa sleutelen aan de plannen om vanaf 2035 enkel nog de verkoop van nieuwe emissievrije wagens toe te laten. Een van de maatregelen die de Europese Commissie daarvoor uitwerkte, was het promoten van de productie van kleine elektrische wagens, made in Europe, die dankzij hun betaalbaarheid de EV-verkoop moeten aanzwengelen.
Om autobouwers te verleiden om meer van die wagens in Europa te gaan bouwen, krijgen ze 'superkredieten', waardoor deze auto's niet als één maar als 1,3 voertuigen worden beschouwd in de berekening van de gemiddelde vlootuitstoot.
Dat mechanisme is rechtstreeks gelinkt aan de Europese CO₂-doelstellingen: door compacte, betaalbare elektrische wagens zwaarder te laten doorwegen, kunnen constructeurs sneller en goedkoper voldoen aan de steeds strengere emissienormen richting 2035, het jaar waarin de EU mikte op een CO₂-neutrale verkoop van nieuwe personenwagens, met beperkte uitzonderingen. Kleine EV’s worden zo een strategisch instrument binnen het Europese klimaat- en industriebeleid.
In haar communicatie neemt de Europese Commissie trouwens fijntjes mee dat "deze geharmoniseerde definitie van kleine elektrische auto's zal het de lidstaten en lokale overheden gemakkelijker maken fiscale (aankoopsubsidies, belastingen, vrijstelling van tolheffing) en niet-fiscale regelingen (parkeertarieven op basis van afmetingen, tegen een verlaagd tarief laden, bevoorrechte toegang tot rijstroken of parkeerplaatsen) in te voeren om het gebruik van kleine betaalbare elektrische voertuigen te stimuleren”.
Geen microcars, wel echte auto’s
Voor de nieuwe categorie haalde Europa de mosterd in Japan waar de overheid in 1949 de zogeheten kei-cars in de markt zette. Het zijn kleine stadswagens die niet meer dan 3,4 meter lang mogen zijn, hoogstens 1,48 meter breed en aangedreven met een motor met een cilinderinhoud van hoogstens 660 cc. Bedoeling: betaalbaar, efficiënt en ruimtebesparend transport aanbieden. De Europese M1e-categorie heeft dezelfde ambities, maar is vooral bedoeld voor kleine maar toch volwaardige personenwagens, met de nodige veiligheidsvoorzieningen en voldoende prestaties om ook buiten de stad inzetbaar te zijn. Compacte modellen uit het A- en B-segment, met andere woorden en dus niet de microcars zoals de Citroën Ami of Microlino die onder de eigen L6e- of L7e-homologatie thuishoren.
Concrete voorbeelden bestaan al
Verschillende bestaande EV’s passen al binnen dit kader. Denk aan de Renault Twingo E-Tech electric, de Dacia Spring en de Citroën ë-C3, die allemaal minder dan 20.000 euro kosten. Ook de Mini, Renault 5 en 4 E-Tech electric zouden in aanmerking komen, ware het niet dat hun basisprijs vandaag nog te hoog ligt. Hetzelfde geldt voor de toekomstige Škoda Epiq en de VW ID.Polo, waarvan het aangekondige prijskaartje rond de 25.000 euro schommelt. Maar misschien kan een uitrustingsdieet dat nog verhelpen
Relevant voor leasing
Voor leasingmaatschappijen zijn de compacte elektrische wagens een interessante en belangrijke uitbreiding van het huidige aanbod. Ze verbruiken minder energie en zijn goedkoper in aanschaf en onderhoud, wat direct bijdraagt aan een lagere TCO (total cost of ownership). Ze bieden dus een praktische en betaalbare manier om wagenparken te elektrificeren, zonder dat het dagelijks gebruik of comfort daaronder lijdt.
En de rol van microcars?
Microcars blijven uiteraard bestaan en vervullen een duidelijke rol in stedelijke mobiliteit. Ze zijn efficiënt, compact en ideaal voor korte verplaatsingen, maar ze vormen geen structureel alternatief voor klassieke bedrijfswagens.
Written by FLEET.be