Er liep iets mis. De pagina is tijdelijk onbeschikbaar.

Arizona-regeerakkoord: concrete uitwerking van de fiscale plannen voor beleggers

Update 30-07-2026

Op deze pagina gaan we dieper in op de verdere uitwerking van de fiscale plannen voor de beleggers, zowel particulieren als ondernemers.

Voor de particuliere belegger

Meerwaardebelasting
Jaarlijkse taks op effectenrekeningen

Voor de ondernemer

Meerwaardebelasting
Liquidatiereserves (update)

Als een vennootschap dividenden uitkeert aan haar aandeelhouders-natuurlijke personen, is daarop in principe 30% roerende voorheffing van toepassing. Via VVPRbis (zie hieronder) en liquidatiereserves kan deze belastingdruk onder bepaalde voorwaarden kleiner worden.

Bij de aanleg van een liquidatiereserve is er een extra heffing van 10% vennootschapsbelasting verschuldigd op het bedrag van de reserve. In ruil kan die reserve later tegen een gunstig tarief worden uitgekeerd. Het regime van de liquidatiereserve werd door de Programmawetten van 18 juli 2025 en 30 mei 2026 aangepast. Er moet op basis van deze wetgeving een onderscheid gemaakt worden tussen liquidatiereserves aangelegd voor 31 december 2025 en reserves die nadien werden aangelegd.

  • Liquidatiereserves aangelegd voor 31 december 2025 kunnen nog steeds (volgens de oorspronkelijke regeling) worden uitgekeerd na een wachttermijn van 5 jaar met de toepassing van 5% roerende voorheffing. Totale belastingdruk: 13,64%.
    • Voor deze liquidatiereserves kan er ook gekozen worden om slechts een wachttermijn van 3 jaar te respecteren. In dat geval zal er wel 6,5% roerende voorheffing betaald moeten worden bij uitkering. Netto belastingdruk: 15%.
    • Als de reserve wordt uitgekeerd voor de 3-jaarstermijn is verstreken, is 20% roerende voorheffing van toepassing.
    • De nieuwe tariefverhoging is niet van toepassing op deze al opgebouwde liquidatiereserves.
  • Voor reserves aangelegd vanaf 31 december 2025 (aanslagjaar 2026 en volgende) bedraagt de wachttermijn altijd 3 jaar.
    • Het tarief roerende voorheffing bij uitkering na de wachttermijn bedraagt 9,8%, waardoor de totale belastingdruk 18% bedraagt (zie tabel hieronder).
    • Het uitkeren van liquidatiereserves binnen de driejarige wachttermijn is absoluut te vermijden, aangezien er dan zowel de belasting bij aanleg als de bijkomende 30% zal moeten betaald worden.

Bij de vereffening is geen belasting meer verschuldigd over de liquidatiereserves, ongeacht de datum van aanleg en ongeacht het respecteren van enige wachttermijn. Merk op dat het niet de bedoeling kan zijn om een vennootschap waarin liquidatiereserves aanwezig zijn te vereffenen om (kort) nadien een vennootschap met (bijna) hetzelfde doel op te richten. Er werd in dat kader ook een specifieke antimisbruikbepaling ingevoerd. Wanneer een vennootschap wordt vereffend en de aandeelhouder de liquidatiereserves belastingvrij in zijn privévermogen ontvangt, zullen die bedragen alsnog als belastbare dividenden kunnen worden belast (aan 30%) wanneer blijkt dat die aandeelhouder binnen de 3 jaar volgend op de vereffening rechtstreeks of onrechtstreeks de functie van bedrijfsleider uitoefent in een vennootschap die dezelfde of gelijkaardige activiteiten verricht als de vennootschap die de liquidatiereserves heeft uitgekeerd. Het vermoeden van misbruik kan wel weerlegd worden door niet-fiscale motieven.

Ondernemers zullen voor liquidatiereserves die werden aangelegd voor 31 december 2025 goed moeten afwegen wat het voordeligst is in hun specifieke situatie:

  • Versneld uitkeren aan 6,5% (als men liquidatiereserves heeft die 3 of 4 jaar geleden aangelegd zijn) of 
  • Wachten tot de termijn van 5 jaar afgelopen is en dan pas uitkeren aan 5% 

Daarbij spelen heel wat factoren mee: hoe snel en waarvoor men geld privé nodig heeft, welke alternatieve financieringsmogelijkheden er in het privaat vermogen zijn, ...

Hou er rekenig mee dat bij de uitkering van liquidatiereserves een FIFO-principe geldt (first in, first out). Als je beslist om liquidatiereserves die minder dan 5 jaar oud zijn uit te keren, dan komen eerst de reserves die 4 jaar oud zijn aan de beurt. Die reserves kun je binnen enkele maanden echter mogelijk al uitkeren aan (slechts) 5% roerende voorheffing (zodra ze 5 jaar binnen de vennootschap zijn behouden gebleven).

Tabel Liquidatiereserves
VVPRbis (update)
Via VVPRbis kunnen uit de winstverdeling van het tweede boekjaar na het boekjaar van de oprichting van de vennootschap (of kapitaalverhoging), dividenden uitgekeerd worden met de toepassing van een verlaagd tarief van de roerende voorheffing. Maar niet alle vennootschappen kunnen gebruik maken van VVPRbis. Enkel vennootschappen opgericht na 1 juli 2013 (of vennootschappen die sindsdien nieuwe aandelen hebben uitgegeven voor een kapitaalverhoging of verhoging van inbreng), komen mogelijks (gedeeltelijk) in aanmerking.
 
Dividenden van aandelen die voldoen aan de voorwaarden van het VVPRbis-regime genoten in de initiële regeling de volgende tarieven van roerende voorheffing:
  • 30% bij uitkering van winsten over het boekjaar van oprichting (of van kapitaalverhoging) en over het daaropvolgende boekjaar
  • 20% bij uitkering van winsten over het tweede boekjaar na dat van de oprichting (of kapitaalverhoging)
  • 15% bij uitkering van winsten over het derde boekjaar na dat van de oprichting (of kapitaalverhoging) en over alle daaropvolgende boekjaren

De Programmawet van 18 juli 2025 schafte het tarief van 20% af voor aandelen die werden uitgegeven na 31 december 2025.

Volgens de Programmawet van 30 mei 2026 stijgt het gunsttarief van 15% naar 18% voor dividenduitkeringen vanaf 1 juli 2026.

Samengevat genieten dividenden van kwalificerende aandelen die werden uitgegeven voor 1 januari 2026 dus de volgende tarieven van roerende voorheffing:

  • 30% bij uitkering van winsten over het boekjaar van oprichting (of kapitaalverhoging) en over het daaropvolgende boekjaar
  • 20% bij uitkering van winsten over het tweede boekjaar na het boekjaar van de oprichting (of kapitaalverhoging)
  • 18% bij uitkering van winsten over het derde boekjaar na het boekjaar van de oprichting (of kapitaalverhoging) en over alle daaropvolgende boekjaren.

Voor dividenduitkeringen die plaatsvinden voor 1 juli 2026 is het 15%-tarief nog van toepassing.

Voor dividenden van kwalificerende aandelen die werden uitgegeven vanaf 1 januari 2026 zijn dit de tarieven van roerende voorheffing:

  • 30% bij uitkering van winsten over het boekjaar van oprichting (of kapitaalverhoging) en over de 2 daaropvolgende boekjaren
  • 18% bij uitkering van winsten over het derde boekjaar na het boekjaar van de oprichting (of kapitaalverhoging) en over alle volgende boekjaren

Het kan dus aanlokkelijk of zelfs aangewezen zijn om nog voor 1 juli 2026 een VVPRbis-dividend uit te keren aan 15% roerende voorheffing.

Bij de (versnelde) uitkering van een dividend moet men zich los van de tariefverhoging, ook een aantal andere vragen stellen zoals:

  • Is er nood aan middelen in het privaat vermogen?
  • Kwalificeert de vennootschap als een “familiale vennootschap” (die aan een vlak tarief van 3% kan vererfd worden)?
  • Heeft de uitkering impact op de mogelijke toepassing van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting? 

We raden aan om het mogelijk tariefvoordeel bij een versnelde uitkering niet enkel in ‘procenten’, maar ook in ‘centen’ uit te drukken, en dat voordeel af te wegen tegen de mogelijke andere gevolgen van een beslissing. Uiteraard zal de vennootschap ook de correcte vennootschapsrechtelijke procedure moeten volgen (algemene vergadering, bijzondere algemene vergadering, netto-actieftest, liquiditeitstest, …).

DBI: verstrenging participatievoorwaarde voor grote vennootschappen (update)

Wanneer een Belgische vennootschap dividenden ontvangt van een andere vennootschap, dan kan het door haar ontvangen dividend vrijgesteld worden van vennootschapsbelasting door toepassing van de zogenaamde “definitief belaste inkomsten-aftrek” (DBI-aftrek). Om deze fiscale aftrek te kunnen toepassen, moeten er 3 cumulatieve voorwaarden worden nageleefd op het ogenblik van de toekenning van het dividend:

  • De taxatievoorwaarde houdt in dat de ontvangen dividenden betrekking moeten hebben op “goede” aandelen, dat zijn aandelen die worden aangehouden in vennootschappen die in het land waarin zij zijn gevestigd “normaal” (en dus “definitief”) worden belast op hun winst. Wordt de uitkerende vennootschap nauwelijks of niet belast op haar winst in het land waarin zij is gevestigd (bijvoorbeeld in een “belastingparadijs”), dan kan het ontvangen dividend niet worden vrijgesteld.
  • De permanentievoorwaarde houdt in dat de ontvangen dividenden betrekking moeten hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste 1 jaar in volle eigendom werden of worden gehouden.
  • De participatievoorwaarde houdt in dat de dividendontvangende vennootschap een deelneming moet aanhouden van ten minste 10% in het kapitaal van de uitkerende vennootschap óf met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 euro.

Vanaf aanslagjaar 2026 wordt de participatievoorwaarde verstrengd voor grote vennootschappen. Als de verkrijger een grote vennootschap is, dan zal een deelneming van minder dan 10% maar met een aanschaffingswaarde van minstens 2.500.000 euro bijkomend de aard van "financieel vast actief" moeten hebben om voor de DBI-aftrek in aanmerking te komen.

Voor het begrip “financiële vaste activa” wordt verwezen naar de betekenis gegeven door de boekhoudwetgeving. Dat impliceert dat de aangehouden aandelen moeten geboekt worden onder:

  • “Deelnemingen in verbonden entiteiten”
  • “Deelnemingen in vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat” of
  • “Deelnemingen in andere financiële vaste activa”

Een boeking onder deze posten veronderstelt dat de onderneming een duurzame en specifieke band wilt met de onderneming waarin ze belegt en de belegging dus niet puur als een investering ziet.

Aangezien de voorwaarden voor de DBI-aftrek en de vrijstelling van meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting gelijk lopen, is er voor grote vennootschappen een bijkomend gevolg. Meerwaarden op aandelen zullen ook enkel nog kunnen vrijgesteld worden (bij participaties kleiner dan 10% en met enkele specifieke uitzonderingen) als de aanschaffingswaarde van de aandelen minstens 2,5 miljoen euro bedraagt én deze geboekt zijn als financieel vast actief.

Deze verstrengde participatievoorwaarde is al van toepassing vanaf aanslagjaar 2026! Wijzigingen die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar werden aangebracht worden niet aanvaard, tenzij men kan aantonen dat deze wijziging is ingegeven vanuit economische (lees : niet-fiscale) overwegingen.

Voor kleine vennootschappen wijzigen de voorwaarden voor DBI-aftrek en meerwaardevrijstelling op aandelen niet. Een vennootschap is klein wanneer ze op balansdatum niet meer dan 1 van volgende criteria overschrijdt:

  • Jaargemiddelde van het personeelbestand: 50
  • Jaaromzet exclusief btw: 11.250.000 euro
  • Balanstotaal: 6.000.000 euro

Een overschrijding van meer dan 1 van de grenzen zal slechts gevolgen hebben als deze zich gedurende 2 opeenvolgende boekjaren voordoet. Bij de beoordeling van de criteria moet niet enkel rekening worden gehouden met de gegevens van de vennootschap zelf maar ook met zogenaamde ‘verbonden vennootschappen’.

DBI-bevek (update)

Een DBI-bevek is een beleggingsvennootschap die aan verschillende voorwaarden moet voldoen. Zo moet een DBI-bevek minstens 90% van de door haar verkregen netto-inkomsten uitkeren.

Een DBI-bevek biedt een fiscaal interessant alternatief voor aandelenbeleggingen, aangezien de DBI-bevek toelaat de vrijstelling van dividenden en meerwaarden op aandelen te krijgen zonder te moeten voldoen aan de strenge participatievoorwaarde en permanentievoorwaarde (zie hierboven). De DBI-bevek moet wel aan de taxatievoorwaarde voldoen. De DBI-bevek zal met andere woorden moeten beleggen in aandelen van vennootschappen die aan de taxatievoorwaarde voldoen. Een DBI-bevek kan zowel kwalificerende als niet-kwalificerende inkomsten ontvangen. Kwalificerende inkomsten zijn inkomsten (dividenden, meerwaarden) uit aandelen die aan de taxatievoorwaarde voldoen. De verhouding kwalificerende inkomsten op de totale inkomsten (kwalificerende + niet kwalificerende) wordt permanent berekend en drukt de zogenaamde ‘DBI-coëfficiënt’ uit.

Concreet kan de vennootschap-belegger:

  • Meerwaardevrijstelling genieten op de verkoop van aandelen van een DBI-bevek in verhouding tot de DBI-coëfficiënt. Volgens de Wet Diverse Bepalingen zijn de vrijgestelde gerealiseerde “meerwaarden” op aandelen van DBI-beveks onderworpen aan 5% belasting. In de praktijk zal een DBI-bevek evenwel quasi altijd haar eigen aandelen inkopen (en onmiddellijk vernietigen). De vennootschap-belegger realiseert in dat geval geen meerwaarde op aandelen, maar ontvangt een inkoopbonus (= dividend) waarop ze (blijvend) de DBI-aftrek kan toepassen. Op deze inkoopbonus is de aanslag van 5% niet van toepassing.
  • DBI-aftrek krijgen op de dividenden die worden uitgekeerd door de DBI-bevek in verhouding tot de DBI-coëfficiënt.

Een DBI-bevek is wel verplicht de passende roerende voorheffing in te houden wanneer ze een dividend betaalt of toekent. Dat in tegenstelling tot een inkoop- of liquidatiebonus, waarop geen roerende voorheffing van toepassing is. De ingehouden roerende voorheffing is voor de vennootschap-belegger in principe verrekenbaar met de vennootschapsbelasting en terugbetaalbaar.

Volgens de Wet Diverse Bepalingen is er vanaf aanslagjaar 2026 enkel nog verrekenbaarheid van roerende voorheffing op de ontvangen dividenden van een DBI-bevek met de vennootschapsbelasting, voor zover de ontvangende vennootschap in het inkomstenjaar van ontvangst van de uitkering van de DBI-bevek de minimale bedrijfsleidersbezoldiging toekent. De minimale bedrijfsleidersbezoldiging zou volgens ontwerpwetgeving worden opgetrokken naar 50.000 euro (te indexeren). Als er geen minimale bezoldiging wordt toegekend, zal de niet-verrekenbaarheid van de roerende voorheffing er doorgaans voor zorgen dat de totale belastingdruk op het ontvangen dividend hoger wordt dan het normale tarief van de vennootschapsbelasting van 25%. De vennootschap kan er in dat geval wel voor kiezen om de DBI-aftrek op het ontvangen dividend niet toe te passen, waardoor de coupon integraal onderworpen zal worden aan de vennootschapsbelasting en de roerende voorheffing wel verrekenbaar zal zijn, zodat de totale belasting op de coupon maximum 25% zou bedragen (zoals bij een ‘gewone’ bevek). Deze mogelijkheid werd uitdrukkelijk bevestigd door de minister van Financiën in de kamercommissie financiën

Jaarlijkse taks op effectenrekeningen

Je mag dit nieuwsbericht niet beschouwen als een beleggingsaanbeveling of als advies.