Er liep iets mis. De pagina is tijdelijk onbeschikbaar.

Arizona-regeerakkoord: concrete uitwerking van de fiscale plannen voor beleggers

Update 24-12-2025

In deze bijdrage gaan we dieper in op de verdere uitwerking van de fiscale plannen voor de beleggers, zowel particulieren als ondernemers.

Voor de particuliere belegger

Voor de ondernemer

Als een vennootschap dividenden uitkeert aan haar aandeelhouders-natuurlijke personen, is daarop in principe 30% roerende voorheffing van toepassing. Via VVPRbis (zie hieronder) en liquidatiereserves kan deze belastingdruk onder bepaalde voorwaarden gereduceerd worden.

Bij aanleg van een liquidatiereserve is er een extra heffing van 10% vennootschapsbelasting verschuldigd op het bedrag van de reserve. In ruil kan die reserve later tegen een gunstig tarief worden uitgekeerd. Het regime van de liquidatiereserve werd in de Programmawet van 18 juli 2025 aangepast. Het begrotingsakkoord dat op 24 november binnen de regering werd gesloten, zou deze nieuwe regeling al meteen weer wijzigen.

- Reeds aangelegde liquidatiereserves (én vermoedelijk ook liquidatiereserves die nog worden aangelegd vóór 31 december 2025) kunnen (conform de oorspronkelijke regeling) na 5 jaar wachten uitgekeerd worden met toepassing van 5% roerende voorheffing. Netto belastingdruk: 13,64%.

• Voor deze liquidatiereserves kan er ook gekozen worden om slechts een wachttermijn van 3 jaar te respecteren. In dat geval zal er wel 6,5% roerende voorheffing betaald moeten worden bij uitkering. Netto belastingdruk: 15%.
• De nieuwe tariefverhoging die in het begrotingsakkoord werd overeengekomen (naar een totale belastingdruk van 18%) zou niet van toepassing zijn op deze reeds opgebouwde liquidatiereserves.

- Voor reserves aangelegd vanaf (vermoedelijk) 31 december 2025 zou de wachttermijn steeds 3 jaar bedragen. Overeenkomstig het recente begrotingsakkoord zou de totale belastingdruk op deze reserves evenwel verder stijgen naar 18% (door het tarief roerende voorheffing bij uitkering na 3 jaar op te trekken naar 9,8%).

- Bij vereffening is geen belasting meer verschuldigd over de liquidatiereserves. Dit zou ook in de toekomst zo blijven.

Ondernemers zullen voor wat betreft reeds aangelegde liquidatiereserves goed moeten afwegen wat het voordeligst is in hun specifieke situatie: versneld uitkeren aan 6,5% (als men liquidatiereserves heeft die 3 of 4 jaar geleden aangelegd zijn) of wachten tot de termijn van 5 jaar afgelopen is en dan pas uitkeren aan 5%. Daarbij spelen heel wat factoren mee: hoe snel en waarvoor men geld privé nodig heeft, welke alternatieve financieringsmogelijkheden er in het privaat vermogen zijn enzovoort. Let wel dat bij de uitkering van liquidatiereserves een FIFO-principe geldt (first in, first out). Als je beslist om liquidatiereserves die minder dan 5 jaar oud zijn uit te keren, komen eerst deze die 4 jaar oud zijn aan de beurt. Die reserves kun je binnen enkele maanden echter mogelijk al uitkeren aan (slechts) 5% roerende voorheffing (met name van zodra ze 5 jaar binnen de vennootschap zijn behouden gebleven).
Tabel Liquidatiereserves
Via VVPRbis kunnen uit de winstverdeling van het 3de boekjaar na het boekjaar van de oprichting van de vennootschap (of kapitaalverhoging), dividenden uitgekeerd worden met toepassing van (op heden) 15% roerende voorheffing. Let wel: niet elke vennootschap kan gebruik maken van VVPRbis. Enkel vennootschappen opgericht na 1 juli 2013 (of vennootschappen die sindsdien nieuwe aandelen hebben uitgegeven nav een kapitaalverhoging of verhoging van inbreng), komen mogelijks (gedeeltelijk) in aanmerking.

Dividenden van aandelen die voldoen aan de voorwaarden van het VVPRbis-regime genoten in de initiële regeling de volgende tarieven van roerende voorheffing:

- 30% bij uitkering van winsten over het boekjaar van oprichting (of van kapitaalverhoging) en over het daaropvolgende boekjaar;
- 20% bij uitkering van winsten over het tweede boekjaar na dat van de oprichting (of kapitaalverhoging);
- 15% bij uitkering van winsten over het derde boekjaar na dat van de oprichting (of kapitaalverhoging) en over alle daaropvolgende boekjaren.

De Programmawet van 18 juli 2025 schafte het ‘tussentarief’ van 20% af, maar enkel voor aandelen die werden uitgegeven nà 31 december 2025, waardoor voor deze aandelen enkel nog het standaard tarief van 30% en het gunsttarief (van op vandaag 15%) overblijft.

Volgens het begrotingsakkoord van 24 november zou het tarief van 15% stijgen naar 18%. De tariefverhoging zou volgens de laatste berichten in werking treden de maand volgend op publicatie van de nieuwe wet. Vermoedelijk zal deze wet pas na 1 januari worden goedgekeurd, maar dat het snel kan gaan, mag duidelijk zijn. Alle dividenden die na de inwerkingtreding van de wet worden uitgekeerd, zouden meteen aan het hogere tarief onderworpen worden, ongeacht wanneer de reserves werden opgebouwd.

Het kan dus aanlokkelijk of zelfs aangewezen zijn om nog zo snel mogelijk een VVPRbis-dividend uit te keren aan 15% roerende voorheffing.

Bij de (versnelde) uitkering van een dividend moet men zich echter - los van de tariefverhoging - ook een aantal andere vragen stellen: is er nood aan middelen in het privaat vermogen, hoeveel jaar wil men nog verder werken via de vennootschap, is de vennootschap op termijn verkoopbaar (cf. mogelijkse impact op meerwaardebelasting), kwalificeert de vennootschap als een familiale vennootschap (die aan 3% kan vererfd worden), heeft de uitkering impact op de mogelijke toepassing van het verlaagd tarief vennootschapsbelasting, … We raden aan om het mogelijk tariefvoordeel bij een versnelde uitkering niet enkel in ‘procenten’, maar ook in ‘centen’ uit te drukken, en dit voordeel af te wegen tegen de mogelijke andere gevolgen van een beslissing. Uiteraard zal de vennootschap ook de correcte vennootschapsrechtelijke procedure moeten volgen ((bijzondere) algemene vergadering, netto-actieftest en/of liquiditeitstest, …).

Wanneer een Belgische vennootschap dividenden ontvangt vanwege een andere vennootschap, dan kan het door haar ontvangen dividend vrijgesteld worden van Belgische vennootschapsbelasting door toepassing van de zogenaamde “definitief belaste inkomsten-aftrek” (DBI-aftrek). Opdat deze fiscale aftrek kan toegepast worden, moeten er drie cumulatieve voorwaarden worden nageleefd op het ogenblik van de toekenning van het dividend:

- De taxatievoorwaarde houdt in dat de ontvangen dividenden betrekking moeten hebben op “goede” aandelen, m.n. aandelen die worden aangehouden in vennootschappen die in het land waarin zij zijn gevestigd “normaal” (en dus “definitief”) worden belast op hun winst. Wordt de uitkerende vennootschap nauwelijks of niet belast op haar winst in het land waarin zij is gevestigd (bv. “belastingparadijs”), dan zal het ontvangen dividend niet vrijgesteld kunnen worden.

- De permanentievoorwaarde houdt dan weer in dat de ontvangen dividenden betrekking moeten hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste 1 jaar in volle eigendom werden of worden behouden.

- Ten slotte moet de dividendontvangende vennootschap een deelneming aanhouden van ten minste 10% in het kapitaal van de uitkerende vennootschap óf met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 euro. Dit is de zogenaamde participatievoorwaarde.

Ingevolge de Programmawet wordt de participatievoorwaarde gewijzigd (lees: verstrengd). In het geval de ontvangende vennootschap een deelneming van minder dan 10 % in het kapitaal bezit, zal de minimale aanschaffingswaarde behouden blijven op 2.500.000 euro (de optrekking tot 4.000.000 euro werd niet weerhouden uit het Regeerakkoord). Indien de verkrijger een grote vennootschap is, zal een deelneming van minder dan 10% vanaf aanslagjaar 2026 bijkomend de aard van financieel vast actief moeten hebben om voor de DBI-aftrek in aanmerking te komen.

Voor het begrip “financiële vaste activa” wordt verwezen naar de betekenis welke eraan wordt gegeven door de boekhoudwetgeving. Dit impliceert dat de aangehouden aandelen dienen geboekt te worden onder “deelnemingen in verbonden entiteiten”, “deelnemingen in vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat” ofwel “deelnemingen in andere financiële vaste activa”. Een boeking onder deze posten veronderstelt dat de onderneming een duurzame en specifieke band met de onderneming waarin ze belegt, beoogt te creëren en de belegging dus niet puur als een investering ziet.

Aangezien de voorwaarden voor de DBI-aftrek en de vrijstelling van meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting gelijklopen, is er voor grote vennootschappen een bijkomend gevolg. Meerwaarden op aandelen zullen ook enkel nog kunnen vrijgesteld worden (bij participaties kleiner dan 10% en behoudens enkele specifieke uitzonderingen) indien de aanschaffingswaarde van de aandelen minstens 2,5 miljoen euro bedraagt én deze geboekt zijn als financieel vast actief.

Deze verstrengde participatievoorwaarde is reeds van toepassing vanaf aanslagjaar 2026! Wijzigingen die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar werden aangebracht worden niet aanvaard, tenzij men kan aantonen dat deze wijziging is ingegeven vanuit economische (lees : niet-fiscale) overwegingen.

Voor kleine vennootschappen wijzigen de voorwaarden voor DBI-aftrek en meerwaardevrijstelling op aandelen evenwel niet. Een vennootschap is klein wanneer ze op balansdatum niet meer dan 1 van volgende criteria overschrijdt:

- Jaargemiddelde van het personeelbestand: 50

- Jaaromzet, excl. de belasting over de toegevoegde waarde: 11.250.000 euro

- Balanstotaal: 6.000.000 euro

Een (niet-)overschrijding van meer dan één van de grenzen zal slechts gevolgen hebben als deze zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet. Opgelet, bij de beoordeling van de criteria moet niet enkel rekening worden gehouden met de gegevens van de vennootschap zelf maar ook met zogenaamde ‘verbonden vennootschappen’.

Een DBI-bevek is een beleggingsvennootschap die aan verschillende voorwaarden moet voldoen. Zo moet een DBI-bevek minstens 90% van de door haar verkregen netto-inkomsten uitkeren.

Een DBI-bevek biedt een fiscaal interessant alternatief voor aandelenbeleggingen, aangezien de DBI-bevek toelaat de vrijstelling van dividenden en meerwaarden op aandelen te genieten zonder te moeten voldoen aan de strenge participatievoorwaarde en permanentievoorwaarde (zie hierboven). De taxatievoorwaarde moet echter wel vervuld zijn in hoofde van de DBI-bevek. Een DBI-bevek kan zowel kwalificerende als niet-kwalificerende inkomsten ontvangen. Kwalificerende inkomsten zijn inkomsten die aan de taxatievoorwaarde voldoen. De verhouding kwalificerende inkomsten op de totale inkomsten (kwalificerende + niet kwalificerende) wordt permanent berekend en drukt de zogenaamde ‘DBI-coëfficiënt’ uit.

Concreet kan de vennootschap-belegger:

- Meerwaardevrijstelling genieten op de verkoop van aandelen van een DBI-bevek in verhouding tot de DBI-coëfficiënt. Overeenkomstig de Wet Diverse Bepalingen zullen de vrijgestelde gerealiseerde “meerwaarden” op aandelen van DBI-beveks in de toekomst evenwel onderworpen worden aan 5% belasting. In de praktijk zal een DBI-bevek evenwel quasi altijd haar eigen aandelen inkopen (en onmiddellijk vernietigen). De vennootschap-belegger realiseert in dat geval geen meerwaarde op aandelen, maar ontvangt een inkoopbonus (= dividend) waarop ze (blijvend) de DBI-aftrek zal kunnen toepassen. Op deze inkoopbonus is de afzonderlijke aanslag van 5% bovendien niet van toepassing.

- DBI-aftrek genieten op de dividenden die worden uitgekeerd door de DBI-bevek in verhouding tot de DBI-coëfficiënt.

Een DBI-bevek is evenwel verplicht de passende roerende voorheffing in te houden wanneer ze een dividend betaalt of toekent (in tegenstelling tot een inkoop- of liquidatiebonus, waarop geen roerende voorheffing van toepassing is). De ingehouden roerende voorheffing is voor de vennootschap-belegger verrekenbaar met de vennootschapsbelasting en terugbetaalbaar.

Ingevolge de Wet Diverse Bepalingen zal er vanaf aanslagjaar 2026 evenwel enkel nog verrekenbaarheid van roerende voorheffing zijn op de ontvangen dividenden van een DBI-bevek met de vennootschapsbelasting, in zoverre de ontvangende vennootschap in het inkomstenjaar van ontvangst van de uitkering van de DBI-bevek de minimale bedrijfsleidersbezoldiging toekent. De minimale bedrijfsleidersbezoldiging zou volgens het regeerakkoord worden opgetrokken naar 50.000 euro (te indexeren).

Voorbeeld

Vennootschap V keert een minimale bezoldiging uit aan haar bedrijfsleider en ontvangt een dividend van € 100 vanuit een DBI-bevek.

De DBI-coëfficiënt van deze bevek is gelijk aan 95%. Als V een coupon krijgt van € 100 zal er initieel € 30 aan roerende voorheffing worden ingehouden.

Aangezien 95% van de coupon in aanmerking komt voor de DBI-aftrek, zal 95% van de ingehouden RV (€ 28,5) verrekenbaar zijn.

V zal op 5% van de coupon vennootschapsbelasting (standaard 25% = € 1,25 ) betalen (cf. DBI-coëfficiënt van 95%). 5% van de ingehouden RV (€ 1,5) zal eveneens verrekenbaar zijn,

-> Totale belastingdruk = € 1,25 op coupon van € 100 (€30 RV is verrekenbaar met totaal verschuldigde vennootschapsbelasting).

Stel dat vennootschap V geen minimale bezoldiging toekent aan haar bedrijfsleider en een dividend (‘coupon’) van € 100 ontvangt vanuit een dbi-bevek. De dbi-coëfficiënt van deze bevek is gelijk aan 95%. Als V een coupon krijgt van € 100 zal er € 30 aan roerende voorheffing worden ingehouden.

- Aangezien 95% van de coupon in aanmerking komt voor de dbi-aftrek/vrijstelling, zal 95% van de ingehouden RV (€ 28,5) niet langer verrekenbaar zijn (bezoldigingsvoorwaarde niet voldaan). € 28,5 zal evenwel fiscaal aftrekbaar zijn als kost. Fiscale kost (ervan uitgaande dat V 25% vennootschapsbelasting betaalt) = € 21,375 (28,5 x 0,75).

- 5% van de ingehouden RV (€ 1,5) zal wel nog steeds verrekenbaar zijn, aangezien V op deze 5% van de coupon vennootschapsbelasting (standaard 25% = € 1,25) zal betalen (cf. DBI-coëfficiënt van 95%).

-> Totale belastingdruk = € 22,625 (21,375 + 1,25) op coupon van € 100

↔ Bij een ‘gewone’ BEVEK zal totale belastingdruk op dividend € 25 (standaard tarief vennootschapsbelasting) bedragen.

Het is niet uitgesloten dat er nog een wettelijke wijziging komt die de niet-verrekenbare RV als een verworpen uitgave zal kwalificeren (en dus niet langer als een fiscaal aftrekbare kost), waardoor de totale belastingdruk (indien er geen minimale bezoldiging wordt uitgekeerd) zou oplopen tot € 29,75 (28,5 + 1,25).

Je mag dit nieuwsbericht niet beschouwen als een beleggingsaanbeveling of als advies.