Er liep iets mis. De pagina is tijdelijk onbeschikbaar.

Arizona-regeerakkoord: concrete uitwerking van de fiscale plannen voor beleggers

Update 26-01-2026

In deze bijdrage gaan we dieper in op de verdere uitwerking van de fiscale plannen voor de beleggers, zowel particulieren als ondernemers.

Voor de particuliere belegger

Voor de ondernemer

Als een vennootschap dividenden uitkeert aan haar aandeelhouders-natuurlijke personen, is daarop in principe 30% roerende voorheffing van toepassing. Via VVPRbis (zie hieronder) en liquidatiereserves kan deze belastingdruk onder bepaalde voorwaarden kleiner worden.
Bij aanleg van een liquidatiereserve is er een extra heffing van 10% vennootschapsbelasting verschuldigd op het bedrag van de reserve. In ruil kan die reserve later tegen een gunstig tarief worden uitgekeerd. Het regime van de liquidatiereserve werd in de Programmawet van 18 juli 2025 aangepast. Het begrotingsakkoord dat op 24 november binnen de regering werd gesloten, zou deze nieuwe regeling al meteen weer wijzigen. Er moet op basis van het begrotingsakkoord van eind november 2025 een onderscheid gemaakt worden tussen liquidatiereserves aangelegd vóór 31 december 2025 en reserves die nadien werden aangelegd.
  • Reeds aangelegde liquidatiereserves (én liquidatiereserves die nog worden aangelegd over het boekjaar verbonden met aanslagjaar 2025, uiterste afsluitingsdatum 30 december 2025) kunnen (volgens de oorspronkelijke regeling) na 5 jaar wachten uitgekeerd worden met toepassing van 5% roerende voorheffing. Netto belastingdruk: 13,64%.
    • Voor deze liquidatiereserves kan er ook gekozen worden om slechts een wachttermijn van 3 jaar te respecteren. In dat geval zal er wel 6,5% roerende voorheffing betaald moeten worden bij uitkering. Netto belastingdruk: 15%.
    • De nieuwe tariefverhoging die in het begrotingsakkoord werd overeengekomen (naar een totale belastingdruk van 18%) zou niet van toepassing zijn op deze reeds opgebouwde liquidatiereserves.
  • Voor reserves aangelegd vanaf 31 december 2025 (aanslagjaar 2026 en volgende) zou de wachttermijn altijd 3 jaar bedragen. Overeenkomstig het recente begrotingsakkoord zou de totale belastingdruk op deze reserves echter verder stijgen naar 18% (door het tarief roerende voorheffing bij uitkering na 3 jaar op te trekken naar 9,8%).
  • Bij vereffening is geen belasting meer verschuldigd over de liquidatiereserves. Dit zou ook in de toekomst zo blijven. We merken wel op dat het niet de bedoeling kan zijn om een vennootschap te vereffenen om nadien (en zeker niet binnen een termijn van 3 jaar) een vennootschap met (bijna) hetzelfde doel op te richten.

Ondernemers zullen voor wat betreft reeds aangelegde liquidatiereserves goed moeten afwegen wat het voordeligst is in hun specifieke situatie: versneld uitkeren aan 6,5% (als men liquidatiereserves heeft die 3 of 4 jaar geleden aangelegd zijn) of wachten tot de termijn van 5 jaar afgelopen is en dan pas uitkeren aan 5%. Daarbij spelen heel wat factoren mee: hoe snel en waarvoor men geld privé nodig heeft, welke alternatieve financieringsmogelijkheden er in het privaat vermogen zijn enzovoort.

Let wel dat bij de uitkering van liquidatiereserves een FIFO-principe geldt (first in, first out). Als je beslist om liquidatiereserves die minder dan 5 jaar oud zijn uit te keren, komen eerst deze die 4 jaar oud zijn aan de beurt. Die reserves kun je binnen enkele maanden echter mogelijk al uitkeren aan (slechts) 5% roerende voorheffing (namelijk  zodra ze 5 jaar binnen de vennootschap behouden blijven).

Tabel Liquidatiereserves
Via VVPRbis kunnen uit de winstverdeling van het 3de boekjaar na het boekjaar van de oprichting van de vennootschap (of kapitaalverhoging), dividenden uitgekeerd worden met toepassing van (op heden) 15% roerende voorheffing. Let wel: niet elke vennootschap kan gebruik maken van VVPRbis. Enkel vennootschappen opgericht na 1 juli 2013 (of vennootschappen die sindsdien nieuwe aandelen hebben uitgegeven naar aanleiding van een kapitaalverhoging of verhoging van inbreng), komen mogelijks (gedeeltelijk) in aanmerking.

Dividenden van aandelen die voldoen aan de voorwaarden van het VVPRbis-regime genoten in de initiële regeling de volgende tarieven van roerende voorheffing:
  • 30% bij uitkering van winsten over het boekjaar van oprichting (of van kapitaalverhoging) en over het daaropvolgende boekjaar
  • 20% bij uitkering van winsten over het tweede boekjaar na dat van de oprichting (of kapitaalverhoging)
  • 15% bij uitkering van winsten over het derde boekjaar na dat van de oprichting (of kapitaalverhoging) en over alle daaropvolgende boekjaren.

De Programmawet van 18 juli 2025 schafte het ‘tussentarief’ van 20% af, maar enkel voor aandelen die werden uitgegeven na 31 december 2025, waardoor voor deze aandelen enkel nog het standaardtarief van 30% en het gunsttarief (vandaag 15%) overblijft.

Volgens het begrotingsakkoord van 24 november zou het tarief van 15% stijgen naar 18%. De tariefverhoging zou volgens de laatste berichten in werking treden de eerste dag van de maand volgend op de publicatie van de nieuwe wet. Alle dividenden die na de inwerkingtreding van de wet worden uitgekeerd, zouden meteen aan het hogere tarief onderworpen worden, ongeacht wanneer de reserves werden opgebouwd.

Het kan dus aanlokkelijk of zelfs aangewezen zijn om nog zo snel mogelijk een VVPRbis-dividend uit te keren aan 15% roerende voorheffing.
Bij de (versnelde) uitkering van een dividend moet men zich echter - los van de tariefverhoging - ook een aantal andere vragen stellen.

  • Is er nood aan middelen in het privaat vermogen?
  • Hoeveel jaar wil men nog verder werken via de vennootschap?
  • Kwalificeert de vennootschap zich als een 'familiale vennootschap' (die tegen een vlak tarief van 3% kan vererfd worden)?
  • Heeft de uitkering impact op de mogelijke toepassing van het verlaagde tarief vennootschapsbelasting?

We raden aan om het mogelijke tariefvoordeel bij een versnelde uitkering niet enkel in ‘procenten’, maar ook in ‘centen’ uit te drukken, en dit voordeel af te wegen tegen de mogelijke andere gevolgen van een beslissing. Uiteraard zal de vennootschap ook de correcte vennootschapsrechtelijke procedure moeten volgen zoals (bijzondere) algemene vergadering, netto-actieftest en/of liquiditeitstest …

Wanneer een Belgische vennootschap dividenden ontvangt vanwege een andere vennootschap, dan kan het door haar ontvangen dividend vrijgesteld worden van Belgische vennootschapsbelasting door toepassing van de zogenaamde 'definitief belaste inkomsten-aftrek' (DBI-aftrek). Opdat deze fiscale aftrek kan toegepast worden, moeten er drie cumulatieve voorwaarden worden nageleefd op het ogenblik van de toekenning van het dividend.

  1. De taxatievoorwaarde houdt in dat de ontvangen dividenden betrekking moeten hebben op 'goede' aandelen, namelijk aandelen die worden aangehouden in vennootschappen die in het land waarin zij zijn gevestigd 'normaal' (en dus 'definitief') worden belast op hun winst. Wordt de uitkerende vennootschap nauwelijks of niet belast op haar winst in het land waarin zij is gevestigd (bijvoorbeeld 'belastingparadijs'), dan zal het ontvangen dividend niet vrijgesteld kunnen worden.
  2. De permanentievoorwaarde houdt dan weer in dat de ontvangen dividenden betrekking moeten hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van minimaal 1 jaar in volle eigendom werden of worden behouden.
  3. Ten slotte moet de dividendontvangende vennootschap een deelneming aanhouden van minimaal 10% in het kapitaal van de uitkerende vennootschap of met een aanschaffingswaarde van minimaal 2.500.000 euro. Dit is de zogenaamde participatievoorwaarde.

Door de Programmawet wordt de participatievoorwaarde gewijzigd (lees: verstrengd). Als de ontvangende vennootschap een deelneming van minder dan 10% in het kapitaal bezit, zal de minimale aanschaffingswaarde behouden blijven op 2.500.000 euro. De optrekking tot 4.000.000 euro werd niet weerhouden uit het Regeerakkoord. Als de verkrijger een grote vennootschap is, zal een deelneming van minder dan 10% vanaf aanslagjaar 2026 bijkomend de aard van financieel vast actief moeten hebben om voor de DBI-aftrek in aanmerking te komen.

Voor het begrip 'financiële vaste activa' wordt verwezen naar de betekenis die eraan wordt gegeven door de boekhoudwetgeving. Dit impliceert dat de aangehouden aandelen geboekt moeten worden onder 'deelnemingen in verbonden entiteiten', 'deelnemingen in vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat' ofwel 'deelnemingen in andere financiële vaste activa'. Een boeking onder deze posten veronderstelt dat de onderneming een duurzame en specifieke band met de onderneming waarin ze belegt, beoogt te creëren en de belegging dus niet puur als een investering ziet.

Aangezien de voorwaarden voor de DBI-aftrek en de vrijstelling van meerwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting gelijklopen, is er voor grote vennootschappen een bijkomend gevolg. Meerwaarden op aandelen zullen ook enkel nog kunnen vrijgesteld worden (bij participaties kleiner dan 10% en behalve enkele specifieke uitzonderingen) als de aanschaffingswaarde van de aandelen minstens 2,5 miljoen euro bedraagt en geboekt zijn als financieel vast actief.

Deze verstrengde participatievoorwaarde is al van toepassing vanaf aanslagjaar 2026! Wijzigingen die vanaf 3 februari 2025 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar werden aangebracht, worden niet aanvaard tenzij men kan aantonen dat deze wijziging is ingegeven vanuit economische (lees: niet-fiscale) overwegingen.

Voor kleine vennootschappen wijzigen de voorwaarden voor DBI-aftrek en meerwaardevrijstelling op aandelen echter niet. Een vennootschap is klein wanneer ze op balansdatum niet meer dan een van volgende voorwaarden overschrijdt:

  • Jaargemiddelde van het personeelbestand: 50
  • Jaaromzet, exclusief. de belasting over de toegevoegde waarde: 11.250.000 euro
  • Balanstotaal: 6.000.000 euro

Een (niet-)overschrijding van meer dan eenvan de grenzen zal maar gevolgen hebben als deze zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet.

Belangrijk: bij de beoordeling van de voorwaarden moet niet enkel rekening worden gehouden met de gegevens van de vennootschap zelf, maar ook met zogenaamde ‘verbonden vennootschappen’.

Een DBI-bevek is een beleggingsvennootschap die aan verschillende voorwaarden moet voldoen. Zo moet een DBI-bevek minstens 90% van de door haar verkregen netto-inkomsten uitkeren.

Een DBI-bevek biedt een fiscaal interessant alternatief voor aandelenbeleggingen, aangezien de DBI-bevek toelaat de vrijstelling van dividenden en meerwaarden op aandelen te genieten zonder te moeten voldoen aan de strenge participatievoorwaarde en permanentievoorwaarde (zie hierboven). De taxatievoorwaarde moet echter wel vervuld zijn in hoofde van de DBI-bevek. Een DBI-bevek kan zowel kwalificerende als niet-kwalificerende inkomsten ontvangen. Kwalificerende inkomsten zijn inkomsten die aan de taxatievoorwaarde voldoen. De verhouding kwalificerende inkomsten op de totale inkomsten (kwalificerende + niet kwalificerende) wordt permanent berekend en drukt de zogenaamde ‘DBI-coëfficiënt’ uit.

Concreet kan de vennootschap-belegger:

  • Meerwaardevrijstelling genieten op de verkoop van aandelen van een DBI-bevek in verhouding tot de DBI-coëfficiënt. Overeenkomstig de Wet Diverse Bepalingen zullen de vrijgestelde gerealiseerde 'meerwaarden' op aandelen van DBI-beveks in de toekomst onderworpen worden aan 5% belasting. In de praktijk zal een DBI-bevek als het ware altijd haar eigen aandelen inkopen (en onmiddellijk vernietigen). De vennootschap-belegger realiseert in dat geval geen meerwaarde op aandelen, maar ontvangt een inkoopbonus (= dividend) waarop ze (blijvend) de DBI-aftrek zal kunnen toepassen. Op deze inkoopbonus is de afzonderlijke aanslag van 5% niet van toepassing.
  • DBI-aftrek genieten op de dividenden die worden uitgekeerd door de DBI-bevek in verhouding tot de DBI-coëfficiënt.

Een DBI-bevek is echter verplicht de passende roerende voorheffing in te houden als ze een dividend betaalt of toekent. In tegenstelling tot een inkoop- of liquidatiebonus, waarop geen roerende voorheffing van toepassing is. De ingehouden roerende voorheffing is voor de vennootschap-belegger in principe verrekenbaar met de vennootschapsbelasting en terugbetaalbaar.

Door de Wet Diverse Bepalingen zal vanaf aanslagjaar 2026 echter enkel nog verrekenbaarheid van roerende voorheffing zijn op de ontvangen dividenden van een DBI-bevek met de vennootschapsbelasting, als de ontvangende vennootschap in het inkomstenjaar van ontvangst van de uitkering van de DBI-bevek de minimale bedrijfsleidersbezoldiging toekent. De minimale bedrijfsleidersbezoldiging zou volgens ontwerpwetgeving worden opgetrokken naar 50.000 euro (te indexeren).

Je mag dit nieuwsbericht niet beschouwen als een beleggingsaanbeveling of als advies.